Volgens de Amerikaanse hoogleraar Albert de Vries kijkt de veehouder in de Verenigde Staten primair met een economische bril naar de levensduur van melkkoeien en speelt dat een grote rol in vervangingsbeslissingen. Amerikaanse koeien halen gemiddeld zo’n 2,7 lactaties, aldus De Vries, die eraan toevoegt dat individuele levensduur in de VS minder aandacht krijgt dan in Nederland.
Economische afwegingen domineren
De Vries legt uit dat het verschil tussen opfokkosten van vaarzen en de marktprijzen voor uitstootkoeien momenteel klein is, waardoor het economisch aantrekkelijk kan zijn om laagproductieve koeien te vervangen. Veehouders met grotere bedrijven richten zich volgens hem vooral op saldo per koeplaats of per geproduceerde eenheid en minder op de levensduur van individuele dieren.
Hij benadrukt dat genetische vooruitgang niet altijd tot langere praktische levensduur leidt: genetisch kunnen koeien een jaar ouder worden maar in de praktijk gebeurt dat niet, vindt De Vries. Daarmee wijst hij op een kloof tussen mogelijke genetische verbeteringen en management- of economische keuzes op bedrijven.
De Amerikaanse maatschappelijk discussie verschilt volgens De Vries van de Europese: in de VS is levensduur nauwelijks onderdeel van het publieke debat en veehouders laten zich in praktische keuzes minder sturen door maatschappelijke verwachtingen. Hij merkt ook op dat in Europa vaak sterk op levensduur wordt gehamerd, terwijl andere productiedieren eveneens niet hun maximale leeftijd bereiken.
In een uitgebreider interview in het aprilnummer van Veeteelt gaat De Vries dieper in op vervangingsbeleid en adviseert Nederlandse veehouders expliciet te beoordelen of vervangen een hoger saldo per koeplaats of per kilogram fosfaat oplevert. Zijn invalshoek is dat economie en productieresultaten leidend moeten zijn bij beslissingen over het al dan niet langer houden van individuele koeien.
Foto - veeteelt.nl